Vleugels van Licht.
Concert van het GOK uitgevoerd in de Grote Kerk van Epe op 30 november 2019

Bij de titel “vleugels van licht” verwacht je zo op de vooravond van advent een concert in advents- dan wel kerstsferen.
Het GOK had echter bij dit thema iets heel anders voor het oog: componisten die het op grond van hun geloof (de joodse Mendelssohn in het katholieke Duitsland en de katholiek Elgar in het Anglicaanse Engeland) of afkomst (Dvorak uit het Tsjechisch/Duitse Bohemen, Pärt in het door Rusland gedomineerde Estland) niet makkelijk hadden. Al deze componisten wisten ondanks hun zorgen (of misschien juist dankzij) toch prachtige muziek te maken.
Mendelssohn opent de avond met zijn versie van Psalm 55. De sopraan Elly van der Heide zingt “Hör mein Bitten” op een goede, inlevende manier.
Als het koor inzet valt meteen de hechte, mooie koorklank op. Alle partijen klinken goed. Helaas wordt er op sommige momenten onzuiver gezongen.
Dat is dan ook de enige kanttekening: de inzetten zijn overtuigend. De koorklank blijft mooi. Een goede afwisseling in forte en piano geeft het lied een mooie dynamiek. Zeker als in het slot (O könnt ich fliehen) sopraan en koor mooi samenwerken. Het koor weet een mooie pianoklank onder de zanglijn van de soliste te leggen waardoor een mooi duet tussen koor en sopraan ontstaat.
Al met al een mooi begin van de avond waarin het koor laat horen dat het veel dynamische verschillen in huis heeft.
Het tweede muziekstuk is “Give unto the lord” van Edward Elgar. Het begin wordt krachtig en overtuigend neergezet. Na dit voortvarende begin zakken de mannen wat weg en nemen de vrouwen de overhand. Dat wordt weer rechtgetrokken bij “it is the Lord that ruleth the sea”. Opvallend zijn de grote dynamische verschillen die het koor laat horen in dit zeer expressieve stuk. De mooi uitgevoerde crescendo’s en decrescendo’s geven het lied een mooie lading.
De vele tempowisselingen waaraan het stuk ook rijk is, worden helaas niet allemaal even adequaat uitgevoerd. Er wordt goed naar de dirigent gekeken en in veel gevallen weet deze zijn koor ook altijd weer op het juiste spoor te krijgen. Doordat het koor echter nog niet volledig loskomt van de partituur en zo moet opletten, blijft hier het “echte muziek maken” wat achterwege. Vooral het middendeel kent betere en mindere momenten waardoor het geheel wat fragmentarisch van aard blijft. “In his temple “ wordt mooi zacht gezongen, maar de ademsteun lijkt hier en daar te ontbreken waardoor het met regelmaat wat onzuiver is.
Gelukkig herpakt het koor zich weer in het slot; vanaf “and the lord remaineth” wordt weer overtuigend gezongen. Er ontstaat opnieuw een mooie uitgebalanceerde koorklank zodat “give unto the lord” op een waardige manier wordt afgesloten.
Dan is het de beurt aan Arvo Pärt. De vakkundige organist Ere Lievonen maakt de luisteraar alvast klaar voor deze eigentijdse componist door “Trivium” te spelen. Zijn meeslepende en fraai geregistreerde uitvoering van dit werk zorgt ervoor dat het publiek goed is voorbereid op het Salve Regina.
Het koor heeft de lastige taak om na de grootse afsluiter van Elgart nu zacht en beheerst in te zetten. Dat doet het heel overtuigend. De sfeer is goed getroffen, de melodische lijnen worden mooi uitgevoerd.
De lange liggende tonen worden allemaal goed gesteund waardoor de klank zuiver blijft. Door te spelen met dynamiek weet het koor de lange tonen ook van inhoud te voorzien en voorkomt het dat Salve Regina een statisch geheel wordt.
De mannen klinken mooi sonoor in “Eia, ergo”. De overgang naar het meer forte “illos tuos misericordes” wordt goed opgebouwd. Daarna weer terug naar pp. De rusten en inzetten in “Et Jesum” worden mooi en gelijk gedaan. Knap werk. Het salve Regina wordt overtuigend en goed afgewerkt gezongen.
Na de pauze staat de mis in D van Dvorak geprogrammeerd.
Het kyrie wordt goed ingezet. De klank is mooi helder en transparant; de crescendo’s en
decresendo’s geven een mooie dynamische ontwikkeling.
Het Gloria klinkt vol overtuigingskracht. Ook nu valt op dat de mannen (helaas nog altijd in de
minderheid) goed partij geven. In Qui tollis peccata moeten ze staccato zingen. Dit is lastig omdat de
meeste zangers dan (ongewild) gaan versnellen. Dat gebeurt hier niet. De mannen blijven mooi in
tempo zingen.
De fuga in Quiniam tu solus dreigt in eerste instantie te ontsporen. De deskundige directie van Ilia
helpt de verschillende partijen al gauw weer netjes onder elkaar.
De soli worden ingevuld door vier koorzangers per stempartij. Dit gebeurt op goede wijze. Vooral de
vier alten verdienen hier een compliment. Ze zingen goed verzorgd. In het algemeen kan worden
gesteld dat de zangers goed op elkaar zijn afgestemd.
Opvallend is dat in dit hele stuk de koorklank heel compact en mooi afgewerkt is. Toegegeven: niet
alles is foutloos. Maar er wordt vol overtuigingskracht gezongen. Zo weet het koor de luisteraar te
mee te nemen in het verhaal. Uiteindelijk komt de luisteraar niet voor een foutloze uitvoering
(hoewel dat wel een prettige bijkomstigheid is) maar vooral om geraakt te worden door de muziek.
En dat weet het GOK met deze mis te doen. Een mooie koorklank, veel dynamisch verschillen en veel
overtuigingskracht zorgen ervoor dat de mis van Dvorak op aansprekende wijze wordt uitgevoerd.
Het was een mooie muzikale avond waarbij opviel dat het koor als een hechte groep, goed
uitgebalanceerde zangers klonk.
Ik zou tegen het koor willen zeggen: “stimmt an die Seiten, ergreif den Leier“; dan kan de luisteraar
zich opmaken voor een mooie uitvoering van Haydns Schöpfung eind volgend jaar. En daarvoor staat
nog een concert voor dodenherdenking op 4 mei geprogrammeerd.

GOK: op weg naar het licht. Concert gegeven op 24 november 2018 in de Grote Kerk van Elburg

Thema en datum verraden het al: het GOK richtte zich met dit najaarsconcert al op de advent- en kerstperiode. Ze moeten daarbij gedacht hebben: hoe kun je advent (en een concert) beter beginnen dan met muziek van Bach. En gelijk hebben ze. In Bachs “Nun komm der Heiden Heiland” mogen alle koorpartijen zich afzonderlijk laten horen in het koraalachtig thema en zich daarna als echt koor bewijzen in de fuga. Aan de start van een concert is het lastig om meteen opgewarmd en vol overtuiging te klinken. De sopranen en alten lieten echter meteen horen wat ze in huis hadden. De mannen ook, maar omdat het verschil in getal tussen de mannen en vrouwen zo groot is, klonk het wat zwak. Dat werd in de fuga direct hersteld: elke partij kreeg en nam de ruimte om het thema helder en duidelijk in te zetten, waarna er een mooi en goed afgewogen “des sich wundert” klonk. Daarna mocht het koor met de aanwezigen luisteren naar de solistenbijdrages. De tenor van  Henk Gunneman is bij uitstek geschikt voor Bach; dat werd bij de eerste noot al duidelijk. De bariton Daniël Vecht gaf direct zijn visitekaartje af door in het korte recitatief zowel dynamisch als vertellend direct tot het hart te spreken met “siehe siehe”. Sopraan Anna Emelianova beschikt over een prima techniek en een prachtige stem, hoewel misschien wat “te groot” voor Bach. In de aria “Öffne dich” toonde zij zich heel muzikaal en zong zij prachtige lijnen. Na deze korte pauze voor het koor mochten zij het slotkoraal zingen. Zij reageerden adequaat en waren meteen goed op weg in het amen. Met de mooi afgewerkte slotfuga liet het GOK zien dat zij met de muziek van Bach meer dan prima uit de voeten kunnen.

Voor de muziek van Josef Rheinberger moest uit een heel ander vaatje worden getapt. Tussen zijn muziek en die van Bach ligt een periode van ruim 150 jaar aan muzikale ontwikkeling. De slanke, coloratuurrijke muziek van de barok wordt ingewisseld voor de meer dramatische, voller klinkende muziek van de romantiek. Die overgang vergt een andere instelling en techniek van de zanger. Het GOK moest dan ook even opzoek naar de juiste toon; letterlijk en figuurlijk. In het “Kyrie” uit de mis klonk niet alles even zuiver. Meer dan het Kyrie had het koor gelukkig ook niet nodig om zich te herpakken; het Gloria klonk heel goed. De sopranen lieten duidelijk horen waartoe zij in staat zijn: de vele hoge noten (die sowieso in dit stuk volop aanwezig waren) werden allemaal keurig geraakt. Echt een compliment! En de reacties en inzetten van de tenoren en de bassen waren heel adequaat. Zij gaven hier goed partij. Wat mij betreft had het “duw en trekwerk” van de romantiek hier iets meer gestalte kunnen krijgen: het Gloria werd min of meer in 1 tempo uitgevoerd.

Het groots opgezette Credo werd geweldig uitgevoerd. De afzonderlijke stemmen waren hier goed op elkaar ingespeeld. Opmerkelijk mag ook de verstaanbaarheid worden genoemd; de uitspraak was dusdanig duidelijk (van de gehele mis) dat de tekst zonder boekje goed te volgen was. Een groot compliment. Hier werden de dynamische verschillen van de romantiek wel alle eer aan gedaan. En het vol overtuiging uitgevoerde Amen verlokte diverse toehoorders tot een spontaan applaus.

Ook in het Sanctus waren de dynamiek, de zanglijnen en de uitspraak prima voor elkaar.

De solisten hadden in de hele mis een meer dienende rol dan in Bach en het latere Oratorio de Noël. Maar in het Benedictus mochten zij een kwartet zingen. Hun fraaie samenzang werd in de juiste sfeer beantwoord door het koor in de slot regels. Hoewel de opzet van het Sanctus minder groots is dan het prachtige Credo, was het Benedictus naar mijn idee in samenspel, balans en muzikaliteit een hoogtepunt.

Dat het groepje tenoren zich goed van hun taak kan kwijten, lieten zij horen bij de regels “dona nobis pacem”. Daar zongen zij prachtig zacht maar overtuigend. Overigens wil ik hierbij ook de bassen complimenteren met hun oplettendheid en muzikaliteit. Zij legden met regelmaat een mooi fundament waarop het koor een heerlijke klank kon bouwen. Ook in het Agnus Dei, waarin een mooi muzikaal vraag en antwoordspel werd vormgegeven in de fuga van het Miserere.

Van alle drie de muziekstukken bevatte de mis het meeste koorwerk. Ik kan rustig stellen dat er menige momenten in de mis zaten waarbij het koor het publiek wist te raken of te ontroeren. De fraaie muzikale uitvoering, de mooie koorklank en de uitstekende verstaanbaarheid; alle voorwaarden voor een mooie uitvoering waren aanwezig. En dan stond de kers op de taart nog op het programma. Na de pauze (die mijns inziens overbodig was) werd het kerstoratorium van Saint-Saens uitgevoerd.

Hoewel ik al eerder iets over het orkest had kunnen schrijven, doe ik dat hier. Want zij verdienen een geweldig compliment voor hun bezielende begeleiding. Prachtig, virtuoos spel van alle musici. Betrokken, fijnzinnig en lyrisch. Een niet te onderschatten factor voor het succes van de avond. In de prachtige “prélude dans le style de Bach” lieten zij horen waarom ze in het seizoen 2013-2014 terecht de titel “beste begeleidingsorkest” hebben ontvangen. De solisten mochten in dit werk ook hun kwaliteiten voor het voetlicht brengen in solo’s, een duet een terzet, kwartet en zelfs kwintet, afgewisseld of aangevuld met het koor.

De mezzo Leonie van Rheden liet hier voor de eerste keer van zich horen in een prachtig “Expectans”. Mooie, lange, lyrische lijnen en veel zeggingskracht in haar stem.

Helaas zong de tenor zijn “Domine, ego credidi” een beetje routineus. En dat terwijl de begeleiding van het dameskoor zo top was; zacht, gedragen en heel fraai. Complimenten aan sopranen en alten!

Het duet tussen sopraan (Anna) en bariton (Daniël) was vooral door de fraaie lyriek van de sopraan erg mooi. Helaas klonk de prachtige bariton van Daniël zo nu en dan wat weifelend. Het had er de schijn van dat hij prachtig piano wilde zingen, maar tegenover de heldere sopraan kwam dat minder sterk over.

Het koor mocht zich daarna op volle sterkte afvragen “waarom de volken woeden”. De prachtige dynamiek en de opbouw zorgde voor een hoop drama. Precies zoals dat mag in Saint-Saens! En dan het fraaie “Gloria Patris”, lange, uitgesponnen lijnen met een mooie techniek uitgevoerd. Zo kun je geen genoeg krijgen van Saint-Saens.

Het trio, kwartet en kwintet werden mooi en verzorgd uitgevoerd. In dit laatste deel voegde ook het koor er zich weer bij. Een mooie verhouding van solostemmen en koor. En de inzet van de bassen/tenoren (Egrediatur) was adequaat en overtuigend.

Bij het overbekende koraal had menig luisteraar ongetwijfeld de drang om (stiekem) mee te zingen. En laten we hopen dat ze dat ook doen: dat nieuwe leden zich voegen bij dit koor om de opgebouwde kwaliteit te blijven waarborgen. Dirigent Ilia Belianko verdient het om zijn muzikaliteit waarmee hij het koor keer op keer tot prachtige uitvoeringen weet te brengen, GOK verdient het omdat zij staan voor kwaliteit en vernieuwing (Arvo Pärt staat voor 2019 op het programma) en de Noord West Veluwe verdient het om zo’n fraai koor in de regio te mogen hebben.

Recensie Herdenkingsconcert 4 mei 2018

Herdenkingsconcert door het Gelders Oratorium Koor, 4 mei 2018
Dodenherdenking en een requiem. Een geheide combinatie. Menig koor gebruikt de eerste week van mei om Fauré uit de kast te halen of Mozart van de plank te pakken.
Het Gelders Oratorium Koor zocht een andere componist om het herdenken vorm te geven en vond deze in Bob Chilcott. Wie? Nou die dus. De beste man is geboren in 1955, was als kind lid van het “Choir of King’s College (Zij namen in 1967 het requiem van Fauré op. De solo in het Pie Jesu werd gezongen door… juist!). In de periode 1985 tot 1997 was Chilcott tenor bij “the King’s Singers. Daarna legde hij zich toe op dirigeren en componeren. In 2010 werd zijn requiem voor het eerst uitgevoerd.
Een modern componist dus en een modern werk. Spannend. Dat het GOK affiniteit heeft met hedendaags werk lieten ze eerder horen door “The Sunrise Mass” uit te voeren van Ola Gjeilo. Die uitvoering liet grote indruk achter en ik kan nu alvast verklappen: dat gold ook voor dit Requiem.
Moderne muziek: dat betekent in de regel lastige intervallen, onverwachte wendingen en een ritmiek die het bestuderen waard is. Het GOK laat direct horen en zien dat er onder dirigent Ilia Belianko goed is geoefend. Het koor boft met een zo kundige en muzikaal avontuurlijke dirigent. Hij weet nieuwe materie bij de leden op een ontspannen manier tot klinken te brengen. De dirigent boft met een koor dat hem zo vertrouwd en adequaat op zijn aanwijzingen reageert. Het koor klinkt alsof het enorm vertrouwd is met de klankwereld van Chilcott.
De lastige inzet van het “Introitus en Kyrie” klinkt trefzeker. De vrouwen, die hier het voortouw nemen, fraseren mooi. Dit, in combinatie met de harmonie van Chilcott, geeft de muziek iets hypnotisch. De balans ín het koor is prima. Dynamisch kiest Belianko ervoor om heen en weer pendelen tussen PP en (net geen) MF. De balans tussen koor en de 6 instrumentalisten is niet altijd optimaal. De 4 blazers (hoorn, dwarsfluit, hobo en klarinet) zijn soms net iets te sterk bij de sfeer van het koor. Het is niet storend, soms wel jammer. De paukenist weet zich beter aan te passen bij wat het koor wil. Dat geldt ook voor de organist Ere Lievonen. Hij bespeelt het grote orgel. Zijn prachtige registratie en adequate begeleiding zijn een aanvulling op de sfeer die het koor steeds neer weet te zetten. Overigens: behoudens enkele momenten in de balans is er niets dan lof voor de musici. Het aandeel van deze 6 mag tegenover een koor van zo’n 60 mensen niet groot lijken, zij geven met hun kleur de harmonie een extra lading. Door hun professionele begeleiding kan het koor het beste uit zichzelf halen.
In dit eerste deel doen ook meteen de twee solisten hun intrede: tenor William Knight en sopraan Kaiyi Min. Twee zangers die direct laten horen boven de materie te staan. William Knight, lid van het Nederlands Kamerkoor, beschikt over een prachtige soepele tenor. Hij zingt met ogenschijnlijk groot gemak. Al is zijn stem wat bescheiden, zijn tekstbehandeling is zo precies dat hij alleraandacht gevangen houdt. Zijn interpretatie en die van het koor sluiten naadloos aan, waardoor ze gezamenlijk tot een ongelooflijke zeggingskracht komen.
Kaiyi Min heeft een krachtige, heldere sopraanstem. De balans tussen haar en het koor is mooi. Ze zingt mooie lijnen, heeft een mooie dictie en weet sommige tonen net iets meer leven in te blazen waardoor de tekst een extra diepgang krijgt. Zeker in het derde deel “Pie Jesu” waar ze in duet met het koor weet te ontroeren.
Dat de (helaas) wat kleine mannengroep genoeg zeggingskracht heeft, laat zij horen in de start van het “Offertorio”. Ze klinken homogeen en zijn goed verstaanbaar; een compliment waard. Ook in dit deel laat het koor een mooie frasering horen; prachtig, helder gezongen lijnen in elke partij geven het geheel een mooie helderheid.
Het lastigste deel is ongetwijfeld het ritmisch opzwepende “Sanctus”. Uitspraak en ritmiek moeten hier perfect zijn, anders ontspoort het geheel. Helaas gebeurt dat laatste. De iets te trage inzet van de mannen laat het geheel onbedoeld schuiven. Later trok dat gelukkig wel weer recht.
Na de uitbundige “Hosanna” klanken van het Sanctus brengen koor en tenor ons met het “Agnus Dei” weer terug naar de meditatieve sfeer die doorlopend van het werk uitgaat.
Traditioneel moet dan het “Lux Aeterna” volgen, maar Chilcott voegt hier de Engelse teks: “Thou knowest Lord” in. Deze tekst is afkomstig uit “the Book of Common Prayer” (the Burial of the Dead) en is bij velen bekend door de toonzetting van Henry Purcell. De inhoud van de tekst sluit mooi aan bij het Latijn.
Het koor kan hier laten horen wat het waard was, daar er diverse a-capelladelen in zitten. De afwerking was fraai, een goede tekstbeleving en een goede verstaanbaarheid. Er werd mooi gezongen. Al was dit de enige keer dat het bescheiden aantal mannen in disbalans was met de grotere vrouwengroep.
Met het eeuwige licht van het “Lux Aeterna” sloot deze prachtig en indrukwekkend uitgevoerde mis af. Koor, solisten en musici wisten van begin tot eind te boeien. Het is te prijzen dat het GOK de verbinding zoekt met hedendaagse componisten en het is bewonderenswaardig dat de uitvoering op zulk niveau wordt gebracht.
Eerlijk gezegd had dit wel het totale concert mogen zijn. Alles wat (muzikaal) gezegd moest worden was gezegd. Ondanks dat de mis maar ruim 30 minuten duurt. Waarschijnlijk heeft juist dit korte tijdsbestek het koor ertoe gebracht nog een “deel 2’’ uit te voeren. Een combinatie van liederen van Rutter, ”Ich will dir mein Herze schenken” (inderdaad Bach) en “Verleih uns Frieden” van Mendelssohn.
Maar de overgang van het “Lux Aeterna”, dat zo verstild eindigt, naar het uitbundige “Ich will dir” is te groot. Hoe goed het ook werd uitgevoerd, het past minder na dit requiem. Ook de tekst van het lied “Look at the world” van Rutter sluit niet echt goed aan op de inhoud van de avond. De sfeer van gelukkige verwondering die uit de muziek en de tekst ademt komt daardoor niet geheel tot zijn recht.
De verdere Rutterwerken worden goed uitgevoerd. De bassen laten in “God be in my head” horen dat zij een prachtige klank hebben. Er moeten toch meer diepe mannenstemmen zijn die in dit geheel op willen gaan? Het is onvoorstelbaar dat na deze avond zich niet meer enthousiaste (mannen)leden melden! De wel aanwezige mannen geven goed partij in “Verleih uns Frieden”, al hadden ze hier iets van de brutaliteit van de vrouwen over kunnen nemen. Daardoor had het geheel net iets overtuigender kunnen klinken.
Kortom: Het Requiem was een verrassende kennismaking met Chilcott. Het GOK heeft met de uitvoering hiervan publiek, componist en zichzelf een dienst bewezen. Artistiek gezien groeit het koor nog steeds.
Gerrit van der Heide, mei 2018

1060133

18